“Het schijnt dat we bouwhistorisch onderzoek nodig hebben”

afbeelding van John


Tijdens een discussie onder vakgenoten over het al of niet opnemen van een adviesparagraaf in een bouwhistorische rapportage viel onlangs een pijnlijke stilte. Die viel na de vraag: Wie heeft wel eens een vervolgopdracht vanwege de opmerking in het slothoofdstuk dat verder onderzoek wordt aangeraden?

Kijk ik naar het voorbije halfjaar in mijn bouwhistorische winkeltje op de hoek, dan vallen drie zaken op. Zij lijken soms wat verder uit elkaar te liggen dan wenselijk is. Er is druk(te) op de gebouwenmarkt. Er is behoefte aan kennis over en toekomstvisie op ons erfgoed. Er is groeiende vraag naar concrete informatie over wat het monumentale precies is aan een specifiek gebouw. 

Het laatste punt staat wellicht in het midden van de point cloud. Vrij vertaald wil men naast ‘wat toen?’ en ‘wat dan?’ het eerste weten ‘wat nu?’. Want ons geluk, de conjunctuur die actie mogelijk maakt, leidt tot een vervelende handicap: haast

Het is merkbaar dat het speelveld in de voorbije tien jaar is veranderd. De rijksoverheid decentraliseerde, stootte af, liet achter vertrekkende specialisten gaten vallen zonder opvolging. Bij de gemeenten die de bouwplannen toetsen en vervolgens wel of geen vergunning verlenen werd allengs het laagje vlees op de botten dunner. Het ‘apparaat’ werd uitgekleed. Al zijn er Monumenten- en Omgevingswetten, het gebouwenonderzoek – afgezien van het ondergrondse – heeft heel wat boten gemist waar het gaat om bestuurlijke en juridische ruggensteun. 

Een monumentenbezitter kan pech hebben of mazzel bij het benaderen van de overheid, wanneer vragen over de omgang met het gebouwde erfgoed voorliggen. In het ideale geval heeft een hele afdeling (sectie, unit, hoe het ook heten mag) nagedacht over de Toekomst van ons verleden of het Erfgoud binnen de gemeentegrenzen en zijn er handreikingen en nota’s voorhanden. Mogelijk treft de (aan)vrager een enthousiast, toegewijd, geïnteresseerd individu die er extra tijd in steekt. Desinteresse, onkunde of te hoge werkdruk kan echter ook op je pad komen wanneer je op de gemeentepoort klopt met de vraag ‘Monument, wat nu?’. Kortom, wie aanklopt ontmoet niet altijd de essentiële richtingaanwijzer – de goeden niet te na gesproken.

Vroeg in het hele proces van renoveren gaat er dikwijls meer mis. Denk aan makelaars, notarissen, architecten, aannemers die niet (kunnen) informeren. Niets om al te cynisch over te doen; de meeste professionals hebben immers geen kwaad in de zin. Eerder dan dat zijn er (opnieuw) onkunde, onwetendheid, desinteresse of haast in het spel.

Het is gewoon een constatering, uit ervaring. Dat de koop gesloten wordt staat deze maanden het hoogst op de agenda. De rest komt later wel. Komt de nieuwe eigenaar ten langen leste – niet zelden wanneer de bouwplannen feitelijk al klaar zijn – bij de bouwhistoricus die als eerste wat langer kijkt naar de geschiedenis en cultuurhistorische kwaliteiten van het pand, dan blijken diverse afslagen te vroeg genomen. Erg jammer, we hadden er eerder bij moeten worden geroepen.

Mijn eerste dringende advies aan hen die op de een of andere wijze werken met Monumenten: verdiep je in je materie, informeer je en de eigenaren goed en vraag een deskundige om tenminste een schets van de geschiedenis, de waarden en van de (on)mogelijkheden. Mijn pleidooi is om de bouwhistoricus er vroeg bij te halen. Andere pro’s kunnen hunvak wellicht goed uitvoeren, maar we moeten meteen meer weten. Een vroege quick scan dus.

Hebben we dan voldoende kennis voor de bouwplannen en de vergunningaanvraag? Nee, niet volledig. We weten wél waar we meer van willen weten en wat we kunnen achterhalen. Tegelijkertijd weten we toch ook wat niet verder onderzocht of achterhaald hoeft te worden. 

De tweede fase van onderzoek kan verderop in het proces worden ingezet, later dan de fase waarin nu vaak de ‘bouwhistorische verkenning met waardenstelling’ wordt uitgevoerd, wanneer de oude aftimmeringen en systeemplafonds er nog in zitten.

Pleidooi twee luidt dus: laten we van bouwhistorisch onderzoek een tweetrapsraketje maken. Zo heeft een eigenaar / initiatiefnemer vroeg een reëel beeld van (on)mogelijkheden en kan de bouwhistorisch onderzoeker in een later stadium nog werkelijk in belangrijke mate meewerken aan een optimaal ontwerp, dat rekening houdt met korte en lange termijn. Lijkt mij niet alleen plezieriger maar ook vruchtbaarder dan voor de zekerheid de blauwe stift – voor de hoge monumentwaarden – zo vaak mogelijk te pakken. 

Ik ben niet de eerste die dit bedenkt. Maar ik leg het graag nog eens op tafel om de discussie te heropenen.

Wie betaalt het allemaal? Voorstel: de quick scan is voor de gemeentekas. Die plankeurder / erfgoedvisionair / vergunningverlener mag mede de voorwaarden bepalen voor het vervolg. De eigenaar / initiatiefnemer spint garen bij een toegesneden vervolgonderzoek en bij overleg in het ontwerpteam en betaalt deel twee. Staat dit allemaal al mooi in een stroomdiagram of een organogram, in de dagelijkse praktijk is het nog prettiger. We weten als bouwhistorici allen hoe vruchtbaar onderzoek kan zijn als je een paar maanden later nog een op de crime scene wordt uitgenodigd. De resultaten zijn dan meestal voor alle partijen beter. Voor de eigenaar, voor de monumentenzorger, voor de wetenschap en voor het erfgoed zelf.

 

John Veerman

john@veermanbouwhistorie.nl

 

 

Bedrijfsinformatie

Stichting Bouwhistorie Nederland

Everard Foeckstraat 3

3515 ED  Utrecht

KvK Utrecht 41185024

Handige links

Volg ons op facebook

Go to top
Web Analytics