Column

slider-column1

Columnist: John Veerman

J.W. (John) Veerman is bouwhistoricus. Hij werd geboren te Utrecht in 1974, doorliep het VWO in Nieuwegein en studeerde Kunstgeschiedenis aan de universiteit van Leiden (doctoraal in 2000). Tussen 2003 en 2005 is te Utrecht de HBO+ opleiding Bouwhistorie en Restauratie gevolgd en voltooid.

John werkt binnen zijn eigen bureau Veerman Bouwhistorie. Hij is bestuurslid van de Stichting Bouwhistorie Nederland. Naast het dagelijkse bouwhistorisch onderzoek wordt geregeld gepubliceerd. Totde jongste producten behoren een boek over het Bredase Begijnhof en een samen met Elizabeth den Hartog geschreven artikel over de basiliek van Meerssen.


Naar buiten

Bij mijn eenmansbureau komt er een prettige kriebel op wanneer een nieuwe klus zich aandient. Niet vanwege de financiën of de eventuele status die aan het onderzoeksobject kleeft. De sensatie is: “Naar buiten!”.

Als ik grof becijfer wat van al mijn professionele bezigheden het aandeel van veldwerk is, dan kom ik tot amper tien procent. Gelukkig zijn er voor de avonduren de mooiste en meest gedegen bouwhistorische publicaties waarin je kunt verpozen. Dat is ook een soort veldwerk (alleen dan van collega’s, gestold tot boek of artikel). Verder wordt er vooral veel aan de computer gezeten, of aan de telefoon, of in een studiezaal met bouwtekeningen voor je neus.

Buiten kom ik daarnaast in het kader van clubjes waarvan ik lid ben. Symposia en excursies zijn ook veldwerkdagen, die het nuttige met het aangename verenigen. En wat is de vergadertafel (waaraan sommigen van u eveneens te vaak zitten)? Geen buitenspelen, tenzij je het opvat als een soort antropologisch veldwerk.

Een deel van dat vergaderen is noodzaak. Bij een Monumenten- of Welstandscommissie worden oordelen geveld en knopen gehakt in – soms – een razend tempo. Kán dit allemaal zo snel, vraag je je weleens af. Als je weet hoelang je er als onderzoeker over kan doen om de lijnen scherper te krijgen in het aanvankelijke schemerduister van een bouwgeschiedenis …

Als bestuurslid van een belangenclub als de Stichting Bouwhistorie Nederland zit je ook meer aan een vergadertafel of aan de mailbox, dan dat je samen bouwsporen of het productieproces van oud behang bediscussieerd. Dat overleggen moet nou eenmaal; handelen in het ‘Grotere Belang’ dient voorbereid.

Ik ben begonnen aan mijn zevende jaar in het bestuur. De nieuwkomer werd vanzelf een blijver (er is volgens mij geen pluche te bespeuren, wees gerust). Gaandeweg merk je wat de valkuilen zijn, de ogenschijnlijke en de werkelijke. Je kunt meer met belangen van de enkeling bezig zijn dan goed is of het kan zo lijken. Omdat je werk zich vooral binnenskamers afspeelt.

Wat voor een klein bouwhistorisch bureau geldt, geldt ook voor een Stichtingsbestuur: wat je naar buiten brengt is wat je doet. Althans, is wat de Stichting als zodanig lijkt te doen. Dat is een van de gedachten die ten grondslag liggen aan het Beleidsplan. Naar buiten! Maar beperk wel je ambities, zodat je activiteiten niet versnipperen. Dan gooien we slechts confetti omhoog – hoewel het leuk is voor even, heb je er later niks meer aan. En hou de vraag voor ogen: wie gaat het doen dan? Mensen die in besturen zitten, leiden soms aan de dubieuze eigenschap dat ze al te veel doen.

Dus: naar buiten! De plannen om meer en andere geïnteresseerden te bereiken worden allengs concreter. Uiteraard is en blijft internet een voornaam medium, maar er kan meer (wie volgt mij hier op?). Toch blijven traditionele middelen onmisbaar en hun mogelijkheden zijn lang niet uitgeput. Ons vakblad Nieuwsbrief Bouwhistorie evolueert en krijgt een nieuw look and feel. Is het nodig om de Platforms een andere vorm te geven en nieuwe samenwerkingsverbanden aan te gaan? Een knellende vraag voor mij is bovendien waarom we zo weinig mooie landelijke pers hebben. Zelfs in het vorige jaar, met het 25-jarig jubileum van de SBN is dat onvoldoende bereikt. 

 

 

 

We denken aan actievere voorlichting. Een soort basiscursus voor ambtenaren en andere belangstellenden is in samenwerking met Buro4 en de Bond voor Nederlandse Bouwhistorici gemaakt. Een nieuwe folder is in de maak. Zijn actieve bijeenkomsten, zoals werfbezoeken een optie? O ja, we moesten niet te veel willen als bestuur… We keken beter eens verder buiten onze kringen. Zegt u het maar. Wie heeft een goed idee?

Naar buiten is meteen: verbinden. De bouwhistorische praktijk heeft vanzelfsprekend veel te maken met overheden, wetgeving, korte- en langetermijnstrategieën en beleid. De betrekkingen met gemeenten, provincies en het Rijk (wat gaat de RCE doen met bouwhistorie: een wisseling van de wacht of laten uitdoven?) dienen in stand gehouden te worden en uitgebouwd.

De bouwhistorie heeft in de wetgeving al enkele keren de boot gemist – u kent het verhaal: de goede bedoelingen van het Verdrag van Valetta zijn in Nederland niet correct uitgewerkt. Het blijft een klein land, waarin dikwijls klein gedacht wordt. Een oplettende bestuurder of enkele voorvechters weten de Bouwhistorie soms met vruchtbaar resultaat in te bedden in plaatselijk beleid, zoals sommige hoopgevende gemeentelijke ErfgoedNota’s uitwijzen.

Het is erg belangrijk om, behalve met de – vooral lagere – overheden, het gesprek te voeren met andere ‘spelers in het erfgoedveld’ (sorry voor het jargon, is er toch sprake van pluche?). We hebben niet altijd door dat ze ertoe doen. En vice versa.

Zo viel mij een jaar geleden een hinderlijke omissie op. In een ‘Bereid je goed voor als je een huis koopt’-boekje waarin allerlei onderzoeken uitgelegd en af- dan wel aangeraden werden, werd er geen jota gewijd aan een eventuele monumentstatus laat staan aan bouwhistorisch onderzoek. De auteur (óók bestuurslid van een belangenclub) van het verder heldere boekje vond het niet nodig om mijn verzorgde mail te beantwoorden. Zonde en – voor zijn beroepsgroep – ook stom. Maar ik bedoel maar: blijven aankloppen bij verre partners, want ze willen onze expertise en onze inzet wél, al weten ze het nog niet.

Het is vanwege al deze en andere redenen goed dat er wordt gedacht over en concreet wordt gewerkt aan een Nationale Onderzoeksagenda Bouwhistorie en aan een evaluatie van de Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek. We moeten immers dóór, we moeten naar buiten en we moeten samenwerken.

Een rondgang langs collega’s leverde op mijn vraag ‘Waarom is Bouwhistorie essentieel en onmisbaar?’ vooralsnog geen eensluidend antwoord op. Niettemin is er een duidelijke taak voor ons vak en zijn methodes. Als het om het gebouwde erfgoed gaat, en voordat je er eventueel aan gaat zitten, moet je weten wat je hebt en hoe het zo gekomen is. Dat dient vele belangen, van banale ruimtelijke ordening en monumentenbeleid tot identiteitsvraagstukken en ‘anchoring’ (zoals de verenigde classici tot onderzoeksspeerpunt hebben weten te maken, zoek maar eens op).

Die verhalen moeten we dan wel vertellen en niet alleen aan elkaar.

 

John Veerman

December 2017

 

Met dank aan Maarten Enderman

 

Bedrijfsinformatie

Stichting Bouwhistorie Nederland

Everard Foeckstraat 3

3515 ED  Utrecht

KvK Utrecht 41185024

Handige links

Volg ons op facebook

Go to top
Web Analytics