Column

slider-column1

Columnist: Ronald Stenvert

Dr.ing. Ronald Stenvert (1955) studeerde bouwkunde aan de HTS in Zwolle en kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht waar hij in 1991 promoveerde. Sinds 1996 is hij als medeoprichter vennoot van BBA: Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis in Utrecht. 

 

Ronald is tevens docent aan de Post-HBO opleiding Bouwhistorie en Restauratie aan de Hogeschool Utrecht en lid van het bestuur van de SBN en van de BNB. Hij heeft diverse boeken en artikelen gepubliceerd over bouw- en architectuurhistorische zaken met een lichte voorkeur voor theorie en jongere bouwhistorie.


Substantie

Het woord ‘substantie’ fascineert mij. In een meer filosofische betekenis staat ‘substantie’, volgens Van Dale, voor ‘wat aan iets anders ten grondslag ligt en daaraan vastheid verleent’. In de bekendere en meer aardse betekenis gaat het om de ‘stof waaruit een voorwerp bestaat’. Met reden kan gezegd worden dat de bouwhistoricus zich bij uitstek met substantie bezig houdt, wanneer hij bakstenen muren en houten kapconstructies documenteert dan wel afwerkingen optekent en fotografeert. Materiaal, constructie en afwerkingen vormen de materie waaruit een voorwerp - en in dit geval - een gebouw bestaat: de substantie dus. 

Die substantie moet dan nog wel in het bouwhistorisch onderzoek nader geduid worden aan de hand van bouwsporen en bouwfasen om tot een bouwgeschiedenis van het betreffende gebouw te kunnen komen. Dat kan pas goed als deze gegevens gekoppeld worden aan andere informatie van documentaire en archivalische aard. Indien gewenst kan dan één en ander, geheel volgens de richtlijnen, afgerond worden met een waardestelling.

 

Vastheid en giswerk

Er dieper over nadenkend, valt ook het nodige te zeggen voor die andere betekenis van het woord substantie als iets dat vastheid geeft aan iets anders. Dat doet substantie in de bouwhistorische zin immers ook; het omsluit ruimten waarin gewoond, geleefd en gewerkt werd. In die zin is de substantie de omhulling van dat waar het werkelijk om gaat. Het verleent vastheid aan de gewenste water- en winddichte omhulling vol ruimten, waarin het leven zich voltrekt. Zelfs kan gesteld worden dat het omhulsel van materiaal en constructie dat wij als bouwhistorici plegen te onderzoeken eigenlijk niet meer is dan een hulpconstructie; een stevige eierschaal om het samenstelsel aan ruimtes waar het in gebeurde.

Vooralsnog zullen we dit onderzoek naar de omhulde ruimte geen immateriële bouwhistorie noemen, maar het heeft er wel veel van weg. Dit niet-tastbare aspect kennen we van immaterieel erfgoed, waarbij het volgens de definitie gaat om iets dat - mondeling - van generatie op generatie wordt overgedragen en voor een gemeenschappelijke identiteit van belang is. Zo beschouwd, onderzoeken bouwhistorici lege hulzen. Daarover komen we vaak het nodige te weten, maar naar de betekenis van de inhoud blijft het gissen (afb. 1).

 

1. Slaapzaal in het voormalige krankzinnigengesticht aan de Academiestraat te Franeker tijdens restauratie in 2007. [Foto auteur]

 

Want weten wij eigenlijk hoe er in het verleden gewoond werd, waar de omhulde ruimten in het verleden voor werden gebruikt, wie en hoeveel mensen erin woonden en hoeveel ruimte men toen eigenlijk nodig had om te leven? Misschien is dit niet het eerste waar de bouwhistoricus aan denkt bij het documenteren van zijn gebouw, maar toch is het een wezenlijke vraag. Naar mijn mening zou de bouwhistorie uit meer moeten bestaan dan uit enkel onderzoek naar materiaal, constructie en afwerking. Ook de structuur, de ruimte-indeling en het gebruik van het betreffende gebouw dienen in beschouwing genomen te worden.

In de dagelijkse praktijk van het bouwhistorische bureau of de gemeentelijk praktijk is daar doorgaans geen tijd voor, maar dat laat onverlet dat bredere vragen relevant zijn. Theoretische bouwhistorie staat evenwel nog in de kinderschoenen. Mogelijk komen we als Stichting Bouwhistorie Nederland binnen afzienbare tijd tot een onderzoeksagenda, of ten minste tot een lacunelijst. Maar dat kan niet zonder dat we ons met nieuwe ogen een beeld vormen van wat in deze tijd het domein van de bouwhistorie omvat. Waar grenst het vakgebied aan de architectuurgeschiedenis en interieurhistorie en hoe verhoudt het zich tot het uitdijende erfgoeduniversum? Wat zijn de links met historische geografie en archeologie? Mogelijk leveren zelfs theoretisch geïnteresseerde architecten als Koolhaas, Habraken en Steadman voor bouwhistorie zinvolle gezichtspunten. Denk alleen maar aan de Biënnale van Venetië van 2014 waarin Koolhaas de historische ontwikkeling toonde van vijftien belangrijkste architectonische elementen, waaronder trap, kap, venster en schouw.

Misschien zou het daarom goed zijn om op een onbewaakt moment, in de trein of onder de douche, een gedachte-experiment uit te voeren met een abstract begrip zoals substantie. In ieder geval scherpt het de gedachten. Als aanzet daartoe hier twee knagende vragen, beide met een kwantitatief kantje en op twee schaalniveaus, dat van het pand en dat van het blok.

 

Binnen in de eierschaal

Hoe verhoudt de substantie zich tot de omhulde ruimte en hoeveel bouwhistorische waardevolle substantie zou zich nog in onze historische steden kunnen bevinden?

Hoe het bruto volume van een gebouw zich verhoudt tot de netto inhoud van alle ruimten tezamen is een interessante vraag. Zo blijkt het bruto volume minus de substantie niet per definitie het interieur op te leveren. Bij het omhullen wordt namelijk onontkoombaar enige ‘loze ruimte’ ingesloten. Soms is dat relatief veel, zoals bij middeleeuwse kerkkappen terwijl dat bij gebouwen met platte daken minder speelt (afb. 2). De extensief gebruikte restruimten zijn wel toegankelijk, maar vormen in feite geen interieur in de strikte zin van het woord. Daartoe ontbreken twee elementen; een gebruiksfunctie en een afwerking. Die ingesloten restruimte is de ‘tarra’ tussen de bruto inhoud van het gebouw en de netto som van alle ruimten met een specifieke functie. Dat verandert pas als een deel van de tarra een functie krijgt, bijvoorbeeld door het aftimmeren van dienstbodekamers op zolder of door herbestemming van de hele zolder als woonruimte.

Rekenen aan oppervlakten en volumes door bouwhistorici staat nog in de kinderschoenen. Daarbij maakt het nogal uit of kappen en kelders al dan niet als onderdeel van de tarra meegerekend worden. Zo heeft het woonhuis de Drie Haringen uit 1575 aan de Brink in Deventer een bruto volume van 1680 m3. Voor het gemak laten we hier de kelder even buiten beschouwing. Het totaal van alle andere ruimten tezamen is 1255 m3, waarbij de drie zolders in totaal 334 m3 meten; een kwart van het netto volume. Bij een kerkgebouw zou dit tot de loze ruimte gerekend worden, in dit geval diende het als opslag. In Deventer blijkt de netto inhoud 75% van de bruto inhoud. Het totaal van alle plattegronden geeft bruto 645 m2 en netto 538 m2 en dat komt neer op een percentage van 83%. Het lijkt erop dat vooral de kapconstructie tot het verschil verklaart tussen de percentages in volume en oppervlak.

Een kleine test op een vijftal jongere woonhuizen heeft voor het vloeroppervlak uitgewezen dat de som van de oppervlakte van alle ruimten tezamen gemiddeld 80% bedraagt van de brutomaat van de plattegrond. Daaruit volgt dat de benodigde bouwkundige substantie grofweg een vijfde deel van het geheel uitmaakt of, in andere woorden, één deel substantie is er nodig om vier delen ruimte te kunnen creëren.

 

 

2. De tarra-ruimte tussen de kap en de gewelven van de Grote- of St. Michaelskerk te Zwolle. [Foto auteur]

 

Hoeveel waardevolle bouwhistorische substantie van vóór de eerste kadasterkaart van 1832 zou er nog in de Nederlandse steden resteren? Onderzoek in Deventer in 2014 voor een bouwhistorische attentiekaart toonde aan dat het daar in de binnenstad om ongeveer 700 relevante panden gaat. De bijbehorende binnenstad omvat zestig bouwblokken. Dat wil zeggen: Deventer heeft per blok gemiddeld 11 2/3 attentiepanden. Nederland als geheel kent een 130-tal historische steden en stadjes, met grote als Amsterdam (588 blokken) en Leiden (226 blokken), en kleine als Steenwijk en Sloten met 16 en 9 blokken. Gemiddeld heeft een stad 35,7 blokken. Voor 130 steden geeft dit een totaal aantal van 4641 bouwblokken. Dit maal die ruim 11 bouwhistorisch waardevolle panden per blok zou er op kunnen duiden dat er in Nederland nog zo’n 54.000 attentiepanden aanwezig kunnen zijn.

Deze grove indicatie behoeft natuurlijk de nodige correcties voor zaken als oorlogsschade en het feit dat in grotere steden meer historische substantie is blijven staan, dan in kleinere steden etc. Nader onderzoek is nodig, maar het zou goed kunnen dat het toch om een bestand van ruim 50.000 panden kan gaan. Helaas is dit getal niet goed vergelijkbaar met het aantal rijksmonumenten in de categorie ‘gebouwen en woonhuizen’ dat ruim 36.000 bedraagt. Hiervan zijn er een flink aantal gebouwd na het jaar 1832; naar schatting zeker een 10.000. Hier wreekt zich het feit dat in het Monumentenregister of de Erfgoedmonitor nauwelijks tijdsaanduidingen gegeven worden en daar niet op gezocht kan worden. Blijft over dat de geschatte 50.000 panden toch ruim meer zijn dan de circa 35.000 oudere rijksmonumenten. Nog afgezien van wat er zich nog aan ongedocumenteerde substantie in die bestaande rijksmonumenten kan bevinden, geeft dit dus een enorm potentieel aan waardevolle substantie in nog onbeschermde panden (afb. 3).

 

Wat zijn de lacunes?

Een tikje meer theorie en wat meer kwantificeren, zouden iets meer ruimte verdienen in een discipline die zich inmiddels na 25 jaar volwassen begint te voelen. Digitale meettechnieken en dendrochronologie zijn een groot goed, maar technische hulpmiddelen ontslaan ons niet van de plicht om ook na te denken over meer abstracte begrippen, zoals substantie, en over zin en relevantie van bouwhistorie in de nabije toekomst en zijn blijvend nut in het immer uitdijende erfgoeduniversum. De archeologen hebben dit begrepen in hun recent verschenen Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 2.0 waarin 23 overkoepelende onderzoeksthema’s en 117 specifieke onderzoeksvragen zijn verwoord.

 

3. Onbeschermd woonhuis met opmerkelijk hoge kap Nieuwstraat 80-82 te Deventer met overduidelijk waardevolle substantie. [Foto auteur]

 

Het formuleren van een wat bescheidener stip op de horizon voor de bouwhistorie zou ons sieren. Dat dit geen onmogelijk taak hoeft te zijn, toont de onderzoeksagenda van Erfgoed Leiden en Omstreken, waaruit inspiratie voor een landelijke onderzoeksagenda te putten valt. Dit is te combineren met het formuleren van een lacuneplan. Het nut daarvan bleek recentelijk al toen er van verscheidene kanten op werd gewezen hoe weinig we nog van hijsraderen in woonhuizen weten. Die lacune is inmiddels, zie het verslag in de Nieuwsbrief SBN, voor een deel gevuld met de observaties van Frans Kipp over dit onderwerp. Wie volgt met het formuleren van lacunes, dan wel het vullen daarvan? Na 25 jaar aan bouwhistorie is het tijd voor een overkoepelende blik op ons mooie vakgebied.

Bedrijfsinformatie

Stichting Bouwhistorie Nederland

Everard Foeckstraat 3

3515 ED  Utrecht

KvK Utrecht 41185024

Handige links

Volg ons op facebook

Go to top
Web Analytics