home

actueel

SBN

forum

agenda

links

 

Historische kennis in kaart

 

Verslag van de themadag Federatie Grote Monumentengemeenten

Vrijdag 17 november 2006


Gabri van Tussenbroek

 


 

Op vrijdag 17 november organiseerde de Federatie Grote Monumentengemeenten een studiedag over cultuurhistorische en aanverwante kaarten. De doelstelling van de Federatie Grote Monumentengemeenten is de uitwisseling van kennis over alle zaken op het gebied van beleid en uitvoering van de monumentenzorg (archeologie inbegrepen), het bepalen van gezamenlijke visies op het monumentenbeleid en het uitwisselen van ervaringen. Niet minder dan 91 deelnemers waren op de themadag in de Utrechtse Gertrudiskapel afgekomen. Het publiek bestond uit een mix van gemeentelijke monumentenzorgers en beleidsmedewerkers en er was een ruime vertegenwoordiging van het Convent van Gemeentelijke Bouwhistorici (CGB), SBN en een paar vertegenwoordigers van de RACM. 

 

Na een begroeting van de aanwezigen en enkele huishoudelijke mededelingen door voorzitter Marleen Slooff, hield Mark Stafleu een inleiding op het thema historische kennis in kaart. Door de toenemende beeldcultuur en de steeds nauwer wordende samenwerking tussen Monumentenzorg en Ruimtelijke Ordening, is er meer behoefte om historische kennis in kaartbeelden te vertalen. Het doel hiervan bestaat uit meerdere aspecten: in de eerste plaats het vastleggen van kennis; dan het signaleren van bepaalde fenomenen, de kennis beschikbaar stellen voor het ontwikkelen van ruimtelijk beleid en als onderlegger voor het beoordelen van plannen. De doelgroep is divers: ten eerste dienen zulke kaarten voor intern gebruik, omdat het immers voor de beleidsmaker, monumentenadviseur en bouwhistoricus handig is om in één oogopslag te kunnen zien wat er aan kennis over een bepaald object of gebied voorhanden is. Maar ook voor extern gebruik kunnen historische kaarten worden ingezet: voor professionals, architecten en ontwikkelaars, en voor bewoners van monumenten en geďnteresseerden.

 

Welke angels en voetklemmen bij het maken van historische kaarten dreigen, bleek bij een korte opsomming van keuzemogelijkheden. Moet zo’n kaart binnen een gemeente sectoraal of liever integraal worden vervaardigd? Kiest men voor een analoge aanpak, of is de digitalisering zo ver gevorderd, dat men beter voor automatisering kan kiezen? Hoe gedetailleerd kan of moet zo’n kaart zijn? En is die kaart een statisch of een dynamisch beeld? Dit laatste heeft – zoals later op de dag bleek – allerlei consequenties voor de vraag of de historische kaart een vrijblijvend karakter heeft of juist rechtskracht kan bezitten.

 

De studiedag van vandaag was er op gericht dit thema uit te diepen, met een accent op historische stadskernen en beschermde gezichten en de vertaling van vooral bouwhistorische gegevens in historische waarde- en verwachtingskaarten. Hierbij laten zich drie fases onderscheiden: 1. onderzoek en inventarisatie, waarbij de gegevens moeten worden vastgelegd en gewaardeerd. 2. Het maken van de kaart en 3. De toepassing van kaarten ten behoeve van informatie, beleid en regelgeving.
 

Jan van der Hoeve zorgde voor een verdieping van die eerste fase: ‘Inventarisatie en waardering voor cultuurhistorische en/ of bouwhistorische kaarten’. In veel steden zijn in het verleden al pogingen gedaan om dergelijke kaarten te maken. Voor de binnenstad van Den Haag is ten behoeve van het MIP een periodiseringskaart vervaardigd, die is omgezet in een waardenkaart. Hierop is echter alleen te zien welke monumenten er zijn en bovendien is de waardentoekenning gebaseerd op een waardering van de buitenkant. Inmiddels wordt niet meer alleen door bouwhistorici, maar ook door monumentenzorgers en beleidsmakers erkend dat waardering van een gebouw op basis van de buitenkant en voorgevel een achterhaalde, onjuiste manier is. Monumentenzorg gaat verder dan de voordeur en dus ook over de binnenkant van gebouwen (interieurs, materialen en constructies). Achter veel jongere voorgevels gaan veel oudere constructies schuil.

 

Om dit inzicht om te zetten in een betere aanpak, is de onderzoekstrategie erop gericht van groot naar klein te werken. De Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek uit 2000, uitgegeven door RDMZ, RGD, SBN en SHBO, bieden een uitstekend uitgangspunt. Inventarisatie: van een gebied wordt gekeken welke historische transformaties zich hebben voorgedaan en op welke plaatsen wel of geen historische bebouwing meer is te verwachten. Archiefonderzoek kan hierbij een hulpmiddel zijn. Verkenning per object: Een kort bezoek aan de tijdens de inventarisatie geselecteerde panden levert vaak al genoeg gegevens op om een globaal beeld te krijgen van de aanwezige historische structuren. Hiermee is het onderzoekstraject niet afgerond. Een bouwhistorische opname voorafgaand aan een verbouwing en een bouwhistorische ontleding tijdens een verbouwing zijn van belang om de historische kennis te vergroten en te verfijnen. Maar op basis van de inventarisatie en de verkenning kunnen al gefundeerde uitspraken worden gedaan over historische waarden en verwachtingen, die in een kaartbeeld kunnen worden omgezet. 
 

Waartoe een dergelijke inventarisatie en verkenning kan leiden, vertelde Ad van Drunen. In ’s-Hertogenbosch is enkele jaren geleden het beleidsvoornemen geuit om een Cultuurhistorische Kwaliteitskaart te maken. Hieronder viel ook een archeologische verwachtingskaart vanwege de Malta-wetgeving, die niet alleen ondergrondse, maar ook bovengrondse kwaliteiten moest weergeven. Een van de doelen die de kaart moest dienen, was het vergemakkelijken van het uitbreiden van de gemeentelijke monumentenlijst, omdat inmiddels was gebleken dat veel waardevolle objecten niet waren beschermd. Ook moest de kaart dienen bij de herziening van het bestemmingsplan op het beschermd stadsgezicht. De kaart dient dus vooral om tot een selectie te komen en is te verdelen in een waardenkaart, over zaken die bekend zijn, en een verwachtingenkaart, over zaken die verondersteld kunnen worden. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar objecten, maar ook naar stedelijke structuren. De definitie van het beschermd stadsgezicht uit 1988 biedt mogelijkheden voor vernieuwing van het bestemmingsplan, waardoor structuren beter worden beschermd. De kaart moet eveneens een toegang bieden tot bouwhistorische gegevensbestanden. Tot nog toe heeft dit geresulteerd in een administratieve kaart en een beeldkaart.

 

De bestemmingsplankaart is nog in ontwikkeling. De inzet is om hiervan een ‘Nee, tenzij…’-kaart te maken. Nee, er mogen geen panden worden samengevoegd, geen verdiepingen worden veranderd en kappen worden aangetast, tenzij men kan aantonen dat met dergelijke ingrepen geen historische waarden in het geding zijn. Momenteel is men bezig met het opstellen van ‘vrijstellingen en wijzigingen’ en ‘nadere eisen met betrekking tot onderzoek’. Deze benadering vanuit de historische bouwsubstantie moet uiteindelijk tot een optimaal vangnet en bescherming van de binnenstad gaan leiden. 
 

Het vele onderzoek dat in ’s-Hertogenbosch aan de kaarten ten grondslag ligt, is in andere steden niet op dat gedetailleerde niveau voorhanden. Toch werken ook andere steden aan soortgelijke historische kaarten. Joris van Haaften schetste de ontwikkelingen in Groningen, waar veel historische kennis in de hoofden van de medewerkers zit en in een wirwar van hangmappen met aantekeningen, schetsen en verslagen. De automatisering van de gemeente Groningen biedt met de Basis Voorziening Gegevens mogelijkheden om relevante gegevens toegankelijk te maken, en wel op zo’n manier, dat deze ook door andere diensten kunnen worden gebruikt. Bronbestanden worden gekoppeld in een GIS-omgeving, waardoor historische en actuele kaarten over elkaar kunnen worden gelegd, structuurveranderingen in deelgebieden snel zichtbaar worden en op den duur ook inhoudelijke gegevens met betrekking tot de afzonderlijke objecten toegankelijk kunnen worden gemaakt. De vulling van een dergelijk systeem moet plaatsvinden op basis van de werkprocessen, en de medewerkers moeten over flexibele invoerschermen beschikken, toegespitst op de aard van hun werkzaamheden.

 

In Amsterdam is een dergelijk systeem met flexibele invoerschermen reeds in gebruik, zij het niet in een gemeentebrede geautomatiseerde omgeving, maar in het Amsterdam Monumenten Informatie Systeem (AMIS). Ronald Glaudemans lichtte dit toe. Ook in Amsterdam heerste lange tijd de situatie dat gebouwen vooral vanaf de buitenzijde werden beoordeeld, wat in 2001 nog resulteerde in de geclassificeerde ordekaart van de binnenstad, met daarop aangegeven vier categorieën beeldkwaliteit. Gegevens over bouw- en cultuurhistorische waarden was – vergelijkbaar met Groningen – slecht toegankelijk, waardoor panden soms tot drie keer toe werden bezocht door verschillende bouwhistorici, die niet op de hoogte waren van het werk van hun voorgangers. De enorme hoeveelheid monumenten in de Amsterdamse binnenstad bemoeilijkte bovendien het overzicht sterk. Na een zeer ingrijpende reorganisatie is in Amsterdam in 2000 een nieuwe start gemaakt. Door het bezoeken en beschrijven van panden en deze gegevens te verwerken in AMIS zijn bouw- en architectuurhistorische gegevens vanaf de werkplek toegankelijk voor monumentenadviseurs, die deze gegevens gebruiken bij het toetsen van bouwplannen. Uiteindelijk moeten uit de databank AMIS kaarten worden gegenereerd waarin verwachtingen en waarden zijn aangegeven. Gezien het grote aantal monumenten in de binnenstad (circa 8.000) is dit een veeljarenproject. AMIS wordt vanuit de werkprocessen gevuld en is dus een dynamisch systeem, dat qua technische mogelijkheden nog niet geheel is uitgekristalliseerd en nog voortdurend wordt aangepast en uitgebreid, om de mogelijkheden en de wensen zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten. 
 

Na de pauze, waarbij de mogelijkheid bestond een kort bezoek te brengen aan de neogotische Sint-Willibrorduskerk van A. Tepe, maakten de deelnemers in zes verschillende groepen een geanimeerde stoelendans door het gebouw. Zes verschillende systemen werden in detail gepresenteerd, waarvan de bezoekers allen drie presentaties te zien kregen. Er werden kaarten/ informatiesystemen gepresenteerd door de gemeenten Amsterdam, ’s-Hertogenbosch, Groningen en Nijmegen, door de provincie Noord-Brabant en de Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie (KICH). Vooral de grote gedetailleerdheid en de vele mogelijkheden maakten indruk. Er werd levendig gediscussieerd, met name met betrekking tot de juridische aspecten en de mogelijkheden om kaarten en systemen als beleidsinstrument in te zetten.

 

Tijdens de evaluatie achteraf bleek dat de reacties op de gepresenteerde systemen vrijwel unaniem positief waren. Hoewel er bij de verschillende kaarten kanttekeningen werden geplaatst, leek niemand echt te twijfelen aan het nut van het inventariseren van monumentale waarden en deze te verwerken in systemen en te vertalen in kaarten. Het Nijmeegse voorbeeld, dat veel disciplines verenigt (archeologie, bouwhistorie, landschapsarchitectuur) werd als positief ervaren dat vooral nog verder ontwikkeld moet worden. De juridische vrijblijvendheid van de kaart werd als een risico, maar ook als kans gezien. Het Bossche voorbeeld, waar de kaart inmiddels door de raad is vastgesteld, is voor zover het de juridische implicaties betreft nog in ontwikkeling. Over het algemeen werd het als een pluspunt ervaren, dat in de Bossche kaart ook de historische structuren een grote rol spelen. Het ‘nee, tenzij…’-principe werd als een sterk uitgangspunt gezien. Van Drunen wees erop dat andere steden zich niet door het vele vooronderzoek moeten laten afschrikken, omdat ook met minder arbeidsintensieve methoden al goede kaarten kunnen worden gemaakt.

 

Het voorbeeld van de Provinciale kaart van Noord-Brabant werd voor gemeenten minder zinvol geacht, omdat de kaart een schaal heeft van 1:25.000 en niet tot op perceelsniveau gaat. De provincie Noord-Brabant gebruikt de kaart om bestemmingsplannen te toetsen. De systemen van het KICH en Amsterdam lijken elkaars tegenpolen te zijn. Amsterdam heeft met AMIS een gesloten systeem, terwijl het KICH nu juist probeert een raamwerk te vormen en zoveel mogelijk systemen met elkaar te verbinden. De gemeente Groningen zit hier tussen in.  
 

Leonard de Wit, hoofd afdeling beleid van de RACM was uitgenodigd om een visie te geven op het gebruik en de (on-)mogelijkheden van cultuurhistorische kaarten. In plaats daarvan deelde de spreker echter mee helemaal geen visie te hebben, maar hij beloofde wel hiernaar te gaan zoeken. Met als excuus dat de reorganisatie nog maar pas achter de rug is, volgde een bespiegeling over de plaats van de RACM op het snijpunt van praktijk, beleid en wetenschap. Dat de ontwikkelingen zoals die vandaag door verschillende gemeenten waren gepresenteerd buiten de RACM omgingen presenteerde De Wit als een positieve zaak, omdat men dat werk toch niet allemaal zelf kon en er dan, zoals in ’s-Hertogenbosch ook geen implementatie had plaatsgevonden. De RACM wil gezag verdienen door kennis op het juiste moment op de juiste plaats te leveren.

 

Op vragen vanuit de zaal, op welke wijze gemeenten dan bij de RACM terecht zouden kunnen om die kennis te krijgen (vooral voor kleinere gemeentes van groot belang), bleef het antwoord achterwege. Of het kennisinstituut zich als kennismakelaar wilde ontwikkelen, of eerder in mensen wilde investeren, die zelf gedegen kennis bezaten, daarop werd geen antwoord gegeven. De gedachten gaan momenteel vooral uit naar het samenvoegen van regelgeving met betrekking tot archeologie en bouwhistorie. Er moet worden uitgezocht wat de juridische mogelijkheden op dit gebied zijn en de resultaten ervan zullen worden doorgegeven aan de gemeenten. 
 

De dag werd afgesloten door de presentatie van de eerste enquęteresultaten door Joris van Haaften, over de mate waarin de vijftig grootste Nederlandse monumentengemeentes hun gegevens in een automatisch systeem verwerken. Jan Wessels bood alle aanwezigen een cd-rom met daarop de cultuurhistorische informatiemap van Arnhem aan, terwijl de provincie Noord-Brabant voor iedereen een kwartetspel had meegebracht. Een informele borrel was het sluitstuk van de middag. Door de hoge opkomst, goede inhoudelijke presentaties, interessante vraagstellingen en een uitstekende organisatie van Henk Jansen, Mark Stafleu en Suzanne Terwiel was deze Federatiedag een groot succes. Er was dan ook genoeg stof tot napraten en uitwisseling, zodat het nog enkele uren duurde voordat ook de laatsten de thuisreis aanvaardden. 
 

 

Actueel:

>> Nogmaals nokruiterbokjes

>> Column over gevelverbetering

 

Oudere stukken:

>> Het verdrag van Malta en Bouwhistorie

>> Beschilderde balk in de Leidse Pieterskerk

>> Studiedag Bouwblokinventa-risatie in de Lage Landen

24 november 2006

>> Themadag Federatie Grote Monumentenge-meenten

17 november 2006