Bouwblokinventarisatie in
de Lage Landen
Zes jaar later
Verslag van de
studiedag op 24 november 2006 te Mechelen
John Veerman
Zes jaar geleden vond
een eerste studiedag plaats over bouwblokinventarisatie in de Lage
Landen. De Belgische
Koninklijke Vereniging voor Natuur en Stedenschoon VZW achtte de tijd
gekomen om eens gezamenlijk te bekijken en bespreken hoever het
onderzoek sindsdien gevorderd is. In het Mechelse Erfgoedcentrum
Lamot verzamelde zich daarom op vrijdag 24 november een grote schare aan
Belgische en Nederlandse monumentenzorgers, architecten, bouw- en
architectuurhistorici, archeologen, beleidsmakers, enzovoorts. Zo’n
heuglijke verscheidenheid was er ook met het oog op de leeftijden van de
deelnemers.
Het ochtendprogramma
bevatte na het welkomstwoord door Rutger Steenmeijer, voorzitter van de
KVNS, een serie lezingen waarin steeds de recente ontwikkelingen binnen
een enkele gemeente centraal stonden.
Raf Ribbens
(archeoloog bij de Mechelse dienst stadsarcheologie) beet het spits af
met een verhaal over het Paardenstraatje te Mechelen. Van dit
onopvallende straatje werd steevast aangenomen dat de oudste bebouwing
bestond uit 19de-eeuwse arbeiderswoningen. Onderzoek van de Mechelse
Vereniging voor Stadsarcheologie bracht echter aan het licht dat het in
de 14de eeuw aangelegde straatje een aantal panden bevat met een veel
oudere kern. Raf Ribbens schetste van een aantal panden de ontwikkeling
door de eeuwen heen. De noodzaak van interdisciplinair onderzoek werd
daarbij voor het eerst, maar zeker niet voor het laatst deze dag
benadrukt. Het maakte ons nieuwsgierig naar wat we later op de dag ter
plaatse zouden kunnen zien.
Vincent Debonne
(erfgoedonderzoeker/bouwhistoricus bij VIOE) en Pieter-Jan Lachaert
(stadsarchivaris) vertelden over opnieuw ogenschijnlijk tamelijk jonge
huizen die te Oudenaarde tegen de 14de-eeuwse lakenhalle aan staan. Deze
groep huizen aan de Hoogstraat werd bedreigd door sloop ten gunste van
nieuwbouw, totdat de combinatie van bouwhistorisch en archiefonderzoek
uitwees dat in enkele gevallen (men ging nader in op Hoogstraat 7) een
compleet middeleeuws huis was bewaard. Hoe jong dit type onderzoek in
sommige plaatsen nog is, wordt geïllustreerd met het verdwijnen van
Hoogstraat 1, terwijl ook daarvan de middeleeuwse oorsprong langzaam
duidelijk werd.
Birgit Dukers
(bouwhistoricus bij Buro4) bracht de binnenstad van Venlo voor het
voetlicht. Wijzend op foto’s die zijn genomen na de verwoestende
bombardementen van de Tweede Wereldoorlog is door achtereenvolgende
generaties volgehouden dat de middeleeuwse kern van Venlo verdwenen was.
De sinds 2004 uitgevoerde inventarisatie en het daaropvolgend
stadskernonderzoek wijzen evenwel uit dat veel bouwmassa in de
middeleeuwse kern nog oorspronkelijk is. Niet alleen leidt dit tot een
uitbreiding van het onderzoek, maar ook tot herformulering van
gemeentelijk beleid.
Na de koffie was het
woord aan Ad van Drunen (bouwhistoricus gemeente ’s-Hertogenbosch). Ad
blikte eerst terug op de situatie die ten tijde van de studiedag van
2000 bestond en haakte hierop in. Het onderzoek te ’s-Hertogenbosch
heeft sindsdien veel inzicht opgeleverd, zowel over de geschiedenis van
de binnenstad als over methodologie. Het strikt werken per bouwblok is
vervangen door een benadering die reageert op actuele ontwikkelingen.
Helaas is om vooral budgettaire redenen het historische bronnenonderzoek
naar de achtergrond geschoven. ’s-Hertogenbosch beschikt dankzij het
bouwblokonderzoek nu over instrumenten (zoals de bouwhistorische
verwachtingskaart) waarmee in de historische binnenstad veel beter dan
voorheen stedenbouwkundige, bouw- en restauratieplannen kunnen worden
getoetst.
Gabri van Tussenbroek
(bouwhistoricus gemeente Amsterdam) maakte duidelijk dat het in een stad
als Amsterdam, met zes onderzoekers op een gigantisch monumentenbestand,
geen reële optie is om structureel bouwblokonderzoek uit te voeren. Men
is er door dat grote aantal monumenten toe gedwongen om simpelweg te
reageren op ontwikkelingen en plannen – leidend tot een meer
projectmatige aanpak. Daarnaast brengt men voor de stad belangrijke
gebouwen in kaart, zoals Gabri illustreerde aan de hand van de
Schreierstoren. Hiervan is wel steeds het belang erkend, maar de
bouwhistorie moest nog worden geschreven. Intussen is men te Amsterdam
druk doende om in de loop van decennia aangelegde en te weinig
geraadpleegde papieren dossiers samen te brengen in de geautomatiseerde
database AMIS.
De laatste spreker
was Tom Wuyts (architect/stedenbouwkundige Stad Antwerpen), die nu eens
de blik op gebouwen en blokken uit de jongste eeuwen gericht hield.
Geschetst werd hoe Antwerpen er sinds een aantal jaren binnen de
Bouwblokprojecten aan werkt om vernieuwingen in de 19de-eeuwse gordel te
funderen op een beter begrip van de kwaliteiten en potenties van reeds
aanwezige blokken en gebouwenensembles. De gepresenteerde cases lieten
zien dat er in de nabije toekomst grote uitdagingen op de diverse
schaalniveaus zijn aan te nemen.
Na de heerlijke en
gemoedelijke broodjeslunch stond een drietal wandelingen op het
programma waarbij het Paardenstraatje, dat in de eerste lezing aan bod
was gekomen, en hetzij enkele panden aan de Guldenstraat, hetzij het
Loretteklooster werden bezocht. In mooi weer werd de aanwezigen een blik
vergund op zeer interessante bouwwerken die te Mechelen achter soms
onbeduidende gevels schuil gaan.
In de prachtige
raadszaal, stammend uit de 16de eeuw, maar met een flinke scheut
neogotiek verfraaid, vond de slotzitting plaats. Omdat hierbij
nauwelijks tegengestelde visies werden uitgesproken, kon wat door het
verzamelde panel te berde werd gebracht, niet doorgaan voor een
slotdebat. Wel bood het de sprekers de gelegenheid nader in te gaan op
de respectievelijke potenties en ambities in de komende jaren. Hierbij
werd duidelijk dat de situatie (erfgoed, archiefbronnen,
onderzoekscapaciteit, financiële middelen, etc.) per gemeente verschilt
en dat een uniforme aanpak onmogelijk is. Met het gemeenschappelijk
besef dat deze noodzakelijke verschillen ook in de nabije toekomst juist
leerzaam en stimulerend zullen werken, begaven we ons naar de
aangrenzende kolommenzaal voor de receptie. Er werd nog veel besproken
en vooral het te Mechelen gebrouwen Margrietbier vond gretig aftrek.