|
Richtlijnen
bouwhistorisch
onderzoek (2009)
Leo Hendriks
Wil je iets doen
met monumenten dan is het doen van goed onderzoek en het zoeken naar
grenzen van wat mogelijk is noodzakelijk. Zorgvuldig hergebruik
en/of herontwikkeling richt zich op het creëren van waarde. Het
benoemen van aanwezige historische aspecten en hoe daarmee om te
gaan is daarbij wezenlijk. Hiervoor is gedegen onderzoek nodig. De
manier waarop dat onderzoek uitgevoerd kan worden is beschreven in
de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek. Met de resultaten van
bouwhistorisch onderzoek kunnen betere en meer integrale
beslissingen worden genomen over wat er met een monument moet
gebeuren door financiers, beheerders, ontwikkelaars, gebruikers,
etc.
In april zag een
compleet nieuwe versie van de Richtlijnen het licht (bij de opening
van de restauratiebeurs in ‘s-Hertogenbosch feestelijk aangeboden
aan Wim Eggenkamp, Rijksadviseur voor het Cultureel Erfgoed). Deze
versie is een ingrijpend geactualiseerde en uitgebreide vorm van een
eerdere versie uit 2000. Actualisering was nodig omdat
bouwhistorisch onderzoek sindsdien een steeds belangrijker
aandachtspunt geworden is in bouw- en gebiedsontwikkeling.
Bouwhistorische waardestellingen geven richting aan het veranderen
en aan het beheer en onderhoud van bijzondere gebouwen, complexen en
gebieden. De vernieuwing van de Richtlijnen komt zowel voort uit de
praktijk als uit ontwikkelingen van meer wetenschappelijke aard.
De nieuwe
Richtlijnen besteden veel aandacht aan vraagstelling en definitie
van noodzakelijk bouwhistorisch onderzoek. Een voorbeeld hiervan is
een op de praktijk gerichte lijst van aandachtspunten die een
opdrachtgever in staat stelt om snel een consistent Plan van
Onderzoek te maken. Omdat waardestellingen in toenemende mate een
breder, cultuurhistorisch karakter dragen is eveneens uitgegaan van
een veel meer multidisciplinaire benadering van onderzoek. Ook
hiervoor zijn op de praktijk toegespitste handreikingen gegeven.
Bouwhistorisch
onderzoek heeft een doel: de resultaten ervan dienen een rol te
spelen in bouw- en/of gebiedsontwikkelingsprojecten. In de
vernieuwde Richtlijnen is dit uitgewerkt door bouwhistorisch
onderzoek te beschouwen als onderdeel van een in de bouw
gebruikelijke projectaanpak. Hierdoor komt veel beter in beeld hoe
het zit met vergunningaanvragen en met toezicht.
Verder is de
methodologie van onderzoek uitgebreid beschreven, toegespitst op
mogelijkheden tot verantwoording van uitspraken en de noodzaak om
waardestellingen te onderbouwen. Deze meer wetenschappelijke
invalshoek maakt integrale besluitvorming mogelijk. Daarbij spelen
naast de cultuurhistorische immers ook de economische en functionele
dimensies een rol.
De Richtlijnen
zijn ook van belang voor degenen die onderzoek doen en onderbouwde
waardestellingen leveren voor beslissers. De verwachting is dat de
Richtlijnen daarom een belangrijke rol gaan spelen in het onderwijs
op het gebied van historie en van bouwkunde. In het kader van de
decentralisatie van de Monumentenzorg zijn de Richtlijnen ook een
vraagbaak voor medewerkers van Gemeenten.
De totstandkoming
van de Richtlijnen is te danken aan een discussiekerngroep waaraan
vertegenwoordigers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de
Stichting Bouwhistorie Nederland, de Vereniging Nederlandse
Gemeenten, het Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksgebouwendienst
deel hebben genomen. Verder is er een grote groep van deskundigen
geraadpleegd.
|