home actueel SBN forum agenda links

 

 

 

 

 

Het artikel in NRC Handelsblad van 14 maart 2008

Klik voor vergroting

Column
Gevelverbetering
John Veerman

 


De tijd van de ‘harde’ reconstruerende gevelrestauraties zou sinds twintig of dertig jaar achter ons liggen. Ik bedoel natuurlijk vernieuwingen van het soort waarbij op grond van een oud, vaag, maar geloofwaardig geacht prentje een trapgevel werd terug gebouwd, terwijl tussenliggende eeuwen werden uitgewist. Men zocht driftig naar her te gebruiken handvormstenen, kocht een uit een afbraakpand in een stadje 70 km verderop afkomstige puibalk en metselde vervolgens de muren opnieuw op met een harde grijze cementspecie. ‘Onherstelbaar gerestaureerd’ hoor ik mijn collega weer zeggen.

Maar het gaat nóg wel eens goed mis met de gevels in ons land, zowel in het gewone dagelijkse gebruik als bij ‘restauratie’ en renovatie. Wie zich door binnensteden verplaatst komt met zeer grote regelmaat de voegenboer en de hoge drukreiniger tegen. Het is een preek voor eigen parochie als ik hier verder uitweid over de haakse slijptol waarmee het aandeel van de voeg in het totale gevelbeeld wordt verdubbeld, over het zalmroze en poreuze baksteenhuidje dat de gevel krijgt nadat hij van vuil, patina en beschermende schil is ontdaan.

Misschien moet er een Postbus 51-spotje komen waarin wordt uitgelegd aan huizenbezitters en hun makelaars dat de schoonmaakwoede op alle punten schadelijk is: De eigen gevel krijgt een a-historisch aanzien, wordt helemaal niet hersteld naar de ‘originele’ staat (zo roze waren die stenen nooit! zo grijs was de mortel niet! dit zijn ‘gesneden’ voegen die het vakmanschap belachelijk maken, dan liever platvol!); gevelwanden worden als geheel pokdalig omdat de ene travee wel en de volgende half en de drie daaropvolgende niet zijn gereinigd; enzovoort. Het belangrijkste is dat de muur zelf zwaar wordt beschadigd en op dag nul is begonnen aan een proces waarin hij nog veel vuiler gaat ogen dan in de weggepoetste staat. Bouwfysisch ontstaan er problemen en de baksteen kan gaan ‘verkankeren’ door de verkeerde verhoudingen van steen en mortel qua dichtheid c.q. hardheid.

(Onlangs liep een discussie die ik met een makelaar over deze materie had bijna op ruzie uit. Zij vond hardop dat ik uit mijn nek stond te kletsen. Wat in haar ogen goed zou zijn voor het bewuste pand, achtte ik een sprookje dat met name prettig werkte voor de provisie. De makelaar verdient een verhelderende excursie. Te voet en niet in haar lekker pittige Smartje.)

Moge ook de hype van de kunststofvensters eindelijk eens eindigen. Nu de eerste generatie, van begin jaren tachtig, poreus is en begint te breken, mag best aan de grote klok worden gehangen dat duurzaamheid hier geen argument is. Onderhoudsarm zullen de kunststof vensters inderdaad blijven; een plaatselijk gebrek is niet door de timmerman te herstellen. We zullen moeten kijken of er nog een kozijn van type Y4b anno 1992 te krijgen is.

Sluipenderwijs ontvouwt zich daarnaast in Nederland een klein kleurdrama. Wat in bijvoorbeeld mijn eigen Rotterdamse buurtje – in aanleg stammend uit het laatste kwart van de 19de eeuw – woekert, wordt wel de Witte Schimmel genoemd. De verf op gepleisterde puien met blokkenimiatie, op (venster)ornamenten als kuifstukken en maskers, op gevel- en gootlijsten is steevast naar spierwit verschoven waar aanvankelijk bijvoorbeeld een zandsteenkleur was gebruikt. De echte natuursteen, veelal blauwgrijze hardsteen, wordt omwille van de eenheid eveneens maar wit gesausd. Opdrachtverstrekkers; met een klein beetje krabben aan je eigen muur weet je hoe het ook kan!

De eigenlijke aanleiding voor dit stukje is een bericht in NRC Handelsblad van vrijdag 14 maart: ‘Een roze gevel kan als een zwart tandje zijn. Eigenaren van gekleurde huizen in Amsterdamse Pijp vrezen dat zij de verf van hun panden moeten halen.’ [Zie bovenaan de linkerkolom.] Het stadsdeel Oud-Zuid heeft zeventien panden in De Pijp met een ‘afwijkende kleur’ bij de welstandscommissie ‘aangemeld’. Eén van de aan de kaak gestelde eigenaren was bezig zijn gevel oudroze te maken. Hem werd gesommeerd dit over te schilderen in een minder opvallende kleur, zijnde een zwartachtige tint (overeenkomstig de grauwe gevels met nagedonkerde lijnolie?). Er zou sprake zijn van willekeur omdat andere gekleurde gevels blijkbaar kunnen blijven wat ze inmiddels zijn. Anderzijds bestaat de vrees dat de actie van de deelraad later leidt tot de eis aan honderden huisbezitters om een meer ‘passende’ kleur aan de brengen, terwijl die bezitters juist dachten hun pand te hebben verfraaid. De Raad van State heeft de zaak in behandeling.

Wat mij hier interesseert is hoe de argumentatie zich verhoudt tot (bouw)historische feiten. Stadsdeelwethouder De Vries stelt: “Wij willen dat de gevels zo veel mogelijk worden teruggebracht in de oorspronkelijke staat.” Hoe? Met een toverspreuk en de hulp van Voegenboer en Hogedrukspuit? En hoe zagen die gevels er omstreeks 1900 dan uit? Ja, schoner. Maar: paarsig grijsbruin of roze? Witte voegen, crème voegen of dikke grijze? Is het nadonkeren van de gevels door het bestrijken met lijnolie trouwens geen historisch gegeven waarmee we nu vrede moeten hebben? De secretaris van de welstandscommissie, Schotten, doet nog een paar leuke duiten in de zak: “Stel dat alle grachtenpanden in verschillende kleuren zouden zijn geschilderd. Daar komen de toeristen niet voor.” O nee? En: wat een stuitend gebrek aan historisch benul. Het verweer van de advocaat van de oudrozepartij dat de kleur “kwalitatief mooi oogt” klinkt wat potsierlijk. Tegelijkertijd raakt het argument aan de betekenis van ‘welstand’.

Men heeft planoloog en hoogleraar Bestuur en Beleid Maarten Hajer (UvA) gevraagd om diens visie. Deze ziet de wens om de gevel te kleuren als een gevolg van de upswing van De Pijp: “een interventie die bijdraagt aan het versterken van het zelfvertrouwen van de buurtbewoners en die helpt af te rekenen met het verleden van de wijk”. Uiteraard is dit een juiste observatie. Wat ontbreekt temidden van alle argumenten, is dat het geven van kleur in een traditie staat die ver terug gaat, maar anderhalve eeuw geleden stokte. Nu wordt die draad – van wat je een ondermeer heel Amsterdamse traditie kunt noemen – eigenlijk weer opgepakt.

Dan dus maar terug naar het ‘klassieke’ grachten- of standgroen van deuren en het witte wit van vensters en misschien, in een gunstig geval, een zandsteenkleur op kozijnen – een conventie die in het midden van de 19de eeuw het resultaat was van een lang proces van geleidelijke verschraling van het palet. Vergelijk dit eens met wat men pakweg een eeuw dáárvoor op en in zijn gebouwen liet aanbrengen... Op bestuursniveau lijkt men in Amsterdam niet te beseffen dat die schitterende 17de en 18de eeuw waarheen men de kompasnaald vaak richt een heel ander kleurgevoel kenden dan wat nu in de stad overheerst. Het zijn trouwens de foto’s bij het artikel die de associatie met 17de- en 18de-eeuwse straatbeelden wekken.

De zuiverheid gebiedt me in te gaan op de opmerking van Schotten dat dat ene roze huis in de herhalingbouw van De Pijp de indruk wekt van een zwart tandje in een gebit. Want als het gaat om gevelreiniging is het dat ‘zwarte tandje’ dat ik graag voorkomen zie worden. Hier wringt mijn kleine betoog: zowel reinigen en hervoegen als schilderen van de gevel is bedoeld als verfraaiing. In mijn ogen werkt alleen de tweede aanpak, zij het alles behalve altijd, als een verbetering. Hoe historisch verantwoord is bovendien het verbijzonderen van een enkele gevel in een homogene rij in een laat 19de-eeuwse wijk als De Pijp? Akkoord, refereren aan het historisch kleurgebruik van de binnenstad is in dezen weinig relevant. De discussie moet gewoon gaan over De Pijp en de secretaris van de welstandscommissie mag niet over de grachten en de toeristen beginnen. Zo komen we tot de slotsom dat een autonoom waarderingskader voor De Pijp nodig is.

Het is, zoals gezegd, niet zo nuttig om elkaar als vakgenoten over en weer te kwellen met de thema’s kunststof vensters en gevelrenovatie. Uitermate zinvol zou daarentegen het verheffen van onze stemmen zijn. Zij die achter de gevels wonen en werken en hun regelgevers missen kennelijk het benul dat er alternatieven zijn voor de makkelijkst klinkende en de voor de hand liggende oplossing. Bij hen die helpen de gevels te beschadigen heersen tegenwerkende belangen of regeert de ruwheid. Wij, bouwhistorici en monumentenmensen, zien wat er gebeurt en moeten dat maar wat vaker van de daken roepen. Bij verf op gevels in De Pijp komt de paradox te voorschijn: er moet met verschillende maten worden gemeten, maar dan bedoel ik nog steeds niet dat gevelreiniging sowieso als iets goeds dient te worden beschouwd terwijl verf op de gevel in een gedurfde tint uit den boze is.

Actueel:

>> Vroege drieklezoren

 

Andere stukken:

>> Column over golfplaat

>> Nogmaals nokruiterbokjes

>> Het verdrag van Malta en Bouwhistorie

>> Beschilderde balk in de Leidse Pieterskerk

>> Studiedag Bouwblokinventa-risatie in de Lage Landen (24 november 2006)

>> Themadag Federatie Grote Monumentenge-meenten (17 november 2006)

 

 

Volkskrantartikel

Het artikel in de Volkskrant van 3 april

Naschrift, 5 april

De Raad van State is tot het oordeel gekomen dat het ‘roze huis’ een (te groot) contrast vormt met de huizen in de directe omgeving. De eigenaar dient op straffe van een dwangsom een matte, bruine kleur terug te brengen. Het verweer dat het welstandsbeleid onduidelijk en onredelijk is, werd verworpen. [Zie het Volkskrant/ANP-artikel in de linkerkolom.] Nu is het welstandsbeleid van het stadsdeel Oud-Zuid helemaal niet cryptisch. De nota is on line te lezen.

De vragen die we hierboven al de revue lieten passeren, blijven wel staan. Ook nu is het fotootje bij het krantenartikel prikkelend. Zo ziet inderdaad een gereinigde gevel temidden van onaangeroerde buurpanden eruit. Ik geloof dat reinigen in Oud-Zuid niet wordt gesubsidieerd. Jammer voor de verliezende eigenaar van het nu nog roze huis.

Over historisch kleurgebruik op Amsterdamse gevels is trouwens in de jongste Amsterdam Monumenten & Archeologie (nr.6, 2007) een instructief stuk opgenomen: ‘De kleur van de stad. Meer variatie en nuance in een evenwichtig stadsbeeld’ door Ronald Pellemans en Dick van der Horst. Brandstof voor denkwerk!