home

actueel

SBN

forum

agenda

links

 

 

Het Verdrag van Malta en Bouwhistorie

Deel van de discussie over de implementatie van Bouwhistorisch onderzoek in de Maltawetgeving in de Eerste Kamer, op 19 december 2006.

Ronald Glaudemans

 

 

Onderstaande is overgenomen van het ongecorrigeerd stenogram eerste kamer; aan deze tekst kan geen enkel recht ontleend worden.

De onderstreepte tekstdelen zijn door de redactie gemarkeerd. De complete tekst van de discussie op 19 december 2006 is niet meer via de site van de eerste kamer te raadplegen.

 

[-]

De heer Wagemakers (CDA):

Mevrouw de voorzitter. In het wetsvoorstel strekkende tot implementatie van het hier aan de orde zijnde verdrag is ervoor gekozen, zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande regelgeving. Men haakt aan bij bestaande wettelijke figuren zoals die zijn neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer en de Ontgrondingenwet. En dat alles, door ervoor te kiezen aan de Monumentenwet een aantal artikelen toe te voegen die het verband leggen met de door mij genoemde wetten. Dat is een systeemkeuze die -- ere wie ere toekomt -- in deze vorm tot stand is gekomen onder invloed van een advies van de Raad van State.

        Met die keuze is een aantal hoofdkenmerken verbonden van het stelsel dat voorligt. Er zal niet langer sprake zijn van een zuiver sectorale archeologische afweging doch van een meer integrale ruimtelijkeordeningsafweging. Er treedt een verschuiving op van Rijk naar lagere overheden en een verschuiving van overheid naar markt. Bij die drie elementen wil ik namens de fractie stilstaan.

[....]

         Het tweede element is het gegeven dat archeologie voortaan een wegingsfactor wordt in het totale ruimtelijkeordeningsbeleid. Archeologie en ruimtelijke ordening zullen dus over en weer grenzen gaan stellen aan datgene wat kan en mag. Voor zover het gaat om integraal afwegen, wil ik namens mijn fractie bij een ander aspect stilstaan dat bij de behandeling tot nu toe niet erg uitvoering aan de orde is geweest, hoewel het toch verbonden is met de zaak die voorligt. Archeologische belangen zullen voortaan tot hun recht komen in bestemmingsplannen en daaraan te toetsen besluiten, maar dat is nog steeds niet het geval, althans niet per definitie, met bouwhistorische belangen. Op pagina 1 van de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer stelt de minister dat de gebouwde en archeologische monumentenzorg steeds meer als één geïntegreerd en samenhangend beleidsopgave wordt beschouwt, zie ook het samengaan van de ROB en de vroegere Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het stelstel dat voorligt, hoezeer mijn fractie het ook waardeert, is in ieder geval een stelsel waarbij bouwhistorisch onderzoek als zodanig buiten beeld is gebleven. Het gaat dan plastisch geformuleerd in feite om bovengronds archeologisch onderzoek dat zich richt op oude gebouwen, bouwmaterialen, bouwconstructies enzovoorts. Bouwhistorici maken over het algemeen gebruik van dezelfde onderzoeksmethoden als archeologen en de doelstelling van hun werkzaamheden is gelijk aan die van de archeologie, te weten determineren, dateren en zo mogelijk veilig stellen van objecten die behoren tot het historische erfgoed.

         Ik heb zelf de voorzichtige indruk dat bouwhistorisch onderzoek in ons land eigenlijk van nog meer belang is dan archeologie. Nederland heeft zeer veel historische gebouwen en, nuchter bezien naar mijn inschatting, geen ondergrond van bijzondere archeologische betekenis. Blijkens de considerans van het verdrag dat wij thans willen implementeren, gaat het verdrag over de kennis van de geschiedenis en de betekenis die deze heeft voor de mensen die ergens wonen. Recentelijk las ik in een artikel dat de afgelopen vijfentwintig jaar driekwart van de oudere boerderijen in Brabant is gesloopt of onherstelbaar gerestaureerd, zonder dat bouwhistorisch gestoeld beleid dat heeft gedocumenteerd of heeft kunnen bijsturen of tegengaan. En toch lijkt mij het in de toekomst kunnen tegengaan van zo'n verschijnsel van grotere betekenis dan het veiligstellen van weer een grafveld. De CDA-fractie heeft de indruk dat het uit het oogpunt van behoud van cultuurhistorische waarden niet juist is, dat de hier aan de orde zijnde regelgeving blijvend alleen betrokken zal zijn op de ondergrond. Wij hebben begrepen dat op dat punt in andere landen wel eens een andere keuze is gemaakt; een keuze waarbij de scheiding tussen boven en onder het maaiveld niet in deze vorm is aangebracht.

         In artikel 39 van dit wetsvoorstel zijn in verband met de archeologische belangen allerlei regels opgenomen die kunnen leiden tot verplichtingen om onderzoek te verrichten, voorzieningen te treffen, bepaalde zaken achterwege te laten of eventueel iets te laten begeleiden door een deskundige. Dat soort verplichtingen zou ook opgelegd kunnen worden indien sloop dan wel bouwwerkzaamheden aan de orde zijn met betrekking tot aan te wijzen categorieën van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, waarbij het onze fractie gaat om een veel ruimere kring dan alleen de rijksmonumenten. Bij beschermde rijksmonumenten is zo'n bouwhistorisch onderzoek zelfs niet strikt voorgeschreven in de wet!

         De fractie heeft begrepen dat reeds een aantal jaren geleden is stilgestaan bij de suggestie om bouwhistorisch onderzoek op gelijke voet te regelen als archeologie. Daarvan is echter afgezien, omdat een en ander de afhandeling van het voorliggende wetsvoorstel had kunnen vertragen. Eerst zou de relatieve achterstand van de archeologie ingelopen moeten worden, aldus de staatssecretaris in enige brief. Ik zie de minister knikken en knik met haar mee, omdat het waarschijnlijk in die tijd een juiste keuze was. Dat doet niet af aan het feit dat nu de afhandeling van dit wetsvoorstel aan de orde is, er opnieuw aandacht kan worden gegeven aan deze suggestie. De concrete vraag is, of de minister bereid is om opdracht te geven tot een onderzoek of wellicht een advies in te winnen bij een geëigende instantie over de vraag of bouwhistorisch onderzoek in de Monumentenwet een plaats dient te krijgen die in bepaalde opzichten vergelijkbaar is met de archeologische zorg waarin in dit wetsvoorstel thans gelukkig wordt voorzien.

 

Mevrouw Witteman (PvdA): Uw fractie vindt het behoud van de cultuurhistorische gebouwen belangrijker dan het onderzoek naar en het behoud van archeologische waarden onder de grond, die misschien uit niet meer bestaan dan wat sporen. Begrijp ik dat goed?

 

De heer Wagemakers (CDA): Nee. Mijn fractie waardeert dit wetsvoorstel, omdat het een regeling biedt voor de ondergrond. Wij hebben de indruk gekregen dat de zaken die in het voorstel zijn neergelegd, zeer wel omzetbaar zijn in de richting van gebouwen, en de cultuurhistorische waarden die daarin besloten liggen.

 

Mevrouw Witteman (PvdA): U bedoelt en/en.

 

De heer Wagemakers (CDA): Jazeker. [-]

 

[einde “citaat”]

 

Uit het antwoord van de minister:

 

Mevrouw van der Hoeve: [-] De heer Wagemakers vroeg waarom niet ook het bouwhistorisch onderzoek in dit wetsvoorstel is geregeld. Zijn veronderstelling dat wij eerst de achterstandspositie van de archeologie willen rechtzetten, is juist. Ik zeg hem graag toe dat ik de RACM zal laten onderzoeken of een bouwhistorisch onderzoek kan worden geregeld dat vergelijkbaar is met het archeologisch onderzoek. Dat hoeft zeker niet te betekenen dat wij aanvullende regelgeving nodig hebben, maar ik wil dat graag op deze manier eerst onderzocht hebben.

[-]

Actueel:

>> Vroege drieklezoren

 

Oudere stukken:

>> Column over golfplaat

>> Nogmaals nokruiterbokjes

>> Column over gevelverbetering

>> Beschilderde balk in de Leidse Pieterskerk

>> Studiedag Bouwblokinventa-risatie in de Lage Landen (24 november 2006)

>> Themadag Federatie Grote Monumentenge-meenten (17 november 2006)