[-]
De heer Wagemakers (CDA):
Mevrouw de voorzitter. In het wetsvoorstel strekkende tot
implementatie van het hier aan de orde zijnde verdrag is ervoor gekozen, zoveel
mogelijk aan te sluiten bij bestaande regelgeving. Men haakt aan bij bestaande
wettelijke figuren zoals die zijn neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening, de
Wet milieubeheer en de Ontgrondingenwet. En dat alles, door ervoor te kiezen
aan de Monumentenwet een aantal artikelen toe te voegen die het verband
leggen met de door mij genoemde wetten. Dat is een systeemkeuze die -- ere wie
ere toekomt -- in deze vorm tot stand is gekomen onder invloed van een advies
van de Raad van State.
Met die keuze is een aantal hoofdkenmerken verbonden van
het stelsel dat voorligt. Er zal niet langer sprake zijn van een zuiver
sectorale archeologische afweging doch van een meer integrale
ruimtelijkeordeningsafweging. Er treedt een verschuiving op van Rijk naar lagere
overheden en een verschuiving van overheid naar markt. Bij die drie elementen
wil ik namens de fractie stilstaan.
[....]
Het tweede element is het gegeven dat archeologie voortaan
een wegingsfactor wordt in het totale ruimtelijkeordeningsbeleid. Archeologie en
ruimtelijke ordening zullen dus over en weer grenzen gaan stellen aan datgene
wat kan en mag. Voor zover het gaat om integraal afwegen, wil ik namens mijn
fractie bij een ander aspect stilstaan dat bij de behandeling tot nu toe niet
erg uitvoering aan de orde is geweest, hoewel het toch verbonden is met de zaak
die voorligt. Archeologische belangen zullen voortaan tot hun recht komen in
bestemmingsplannen en daaraan te toetsen besluiten, maar dat is nog steeds niet
het geval, althans niet per definitie, met bouwhistorische belangen.
Op pagina 1 van de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer stelt de minister
dat de gebouwde en archeologische monumentenzorg steeds meer als één
geïntegreerd en samenhangend beleidsopgave wordt beschouwt, zie ook het
samengaan van de ROB en de vroegere Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het
stelstel dat voorligt, hoezeer mijn fractie het ook waardeert, is in ieder geval
een stelsel waarbij bouwhistorisch onderzoek als zodanig buiten beeld is
gebleven. Het gaat dan plastisch geformuleerd in feite om bovengronds
archeologisch onderzoek dat zich richt op oude gebouwen, bouwmaterialen,
bouwconstructies enzovoorts. Bouwhistorici maken over het algemeen gebruik van
dezelfde onderzoeksmethoden als archeologen en de doelstelling van hun
werkzaamheden is gelijk aan die van de archeologie, te weten determineren,
dateren en zo mogelijk veilig stellen van objecten die behoren tot het
historische erfgoed.
Ik heb zelf de voorzichtige indruk dat bouwhistorisch
onderzoek in ons land eigenlijk van nog meer belang is dan archeologie.
Nederland heeft zeer veel historische gebouwen en, nuchter bezien naar mijn
inschatting, geen ondergrond van bijzondere archeologische betekenis. Blijkens
de considerans van het verdrag dat wij thans willen implementeren, gaat het
verdrag over de kennis van de geschiedenis en de betekenis die deze heeft voor
de mensen die ergens wonen. Recentelijk las ik in een artikel dat de afgelopen
vijfentwintig jaar driekwart van de oudere boerderijen in Brabant is gesloopt of
onherstelbaar gerestaureerd, zonder dat bouwhistorisch gestoeld beleid dat heeft
gedocumenteerd of heeft kunnen bijsturen of tegengaan. En toch lijkt mij het
in de toekomst kunnen tegengaan van zo'n verschijnsel van grotere betekenis dan
het veiligstellen van weer een grafveld. De CDA-fractie heeft de indruk dat het
uit het oogpunt van behoud van cultuurhistorische waarden niet juist is, dat de
hier aan de orde zijnde regelgeving blijvend alleen betrokken zal zijn op de
ondergrond. Wij hebben begrepen dat op dat punt in andere landen wel eens een
andere keuze is gemaakt; een keuze waarbij de scheiding tussen boven en onder
het maaiveld niet in deze vorm is aangebracht.
In artikel 39 van dit wetsvoorstel zijn in verband met de
archeologische belangen allerlei regels opgenomen die kunnen leiden tot
verplichtingen om onderzoek te verrichten, voorzieningen te treffen, bepaalde
zaken achterwege te laten of eventueel iets te laten begeleiden door een
deskundige. Dat soort verplichtingen zou ook opgelegd kunnen worden indien
sloop dan wel bouwwerkzaamheden aan de orde zijn met betrekking tot aan te
wijzen categorieën van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, waarbij het onze
fractie gaat om een veel ruimere kring dan alleen de rijksmonumenten. Bij
beschermde rijksmonumenten is zo'n bouwhistorisch onderzoek zelfs niet strikt
voorgeschreven in de wet!
De fractie heeft begrepen dat reeds een aantal jaren
geleden is stilgestaan bij de suggestie om bouwhistorisch onderzoek op gelijke
voet te regelen als archeologie. Daarvan is echter afgezien, omdat een en ander
de afhandeling van het voorliggende wetsvoorstel had kunnen vertragen. Eerst zou
de relatieve achterstand van de archeologie ingelopen moeten worden, aldus de
staatssecretaris in enige brief. Ik zie de minister knikken en knik met haar
mee, omdat het waarschijnlijk in die tijd een juiste keuze was. Dat doet niet af
aan het feit dat nu de afhandeling van dit wetsvoorstel aan de orde is, er
opnieuw aandacht kan worden gegeven aan deze suggestie. De concrete vraag is,
of de minister bereid is om opdracht te geven tot een onderzoek of wellicht een
advies in te winnen bij een geëigende instantie over de vraag of bouwhistorisch
onderzoek in de Monumentenwet een plaats dient te krijgen die in bepaalde
opzichten vergelijkbaar is met de archeologische zorg waarin in dit wetsvoorstel
thans gelukkig wordt voorzien.
Mevrouw Witteman (PvdA): Uw fractie vindt het behoud van de
cultuurhistorische gebouwen belangrijker dan het onderzoek naar en het behoud
van archeologische waarden onder de grond, die misschien uit niet meer bestaan
dan wat sporen. Begrijp ik dat goed?
De heer Wagemakers (CDA): Nee. Mijn fractie waardeert dit
wetsvoorstel, omdat het een regeling biedt voor de ondergrond. Wij hebben de
indruk gekregen dat de zaken die in het voorstel zijn neergelegd, zeer wel
omzetbaar zijn in de richting van gebouwen, en de cultuurhistorische waarden die
daarin besloten liggen.
Mevrouw Witteman (PvdA): U bedoelt en/en.
De heer Wagemakers (CDA): Jazeker. [-]
[einde “citaat”]
Uit het antwoord van de minister:
Mevrouw van der Hoeve: [-] De heer Wagemakers vroeg waarom
niet ook het bouwhistorisch onderzoek in dit wetsvoorstel is geregeld. Zijn
veronderstelling dat wij eerst de achterstandspositie van de archeologie willen
rechtzetten, is juist. Ik zeg hem graag toe dat ik de RACM zal laten
onderzoeken of een bouwhistorisch onderzoek kan worden geregeld dat
vergelijkbaar is met het archeologisch onderzoek. Dat hoeft zeker niet te
betekenen dat wij aanvullende regelgeving nodig hebben, maar ik wil dat graag op
deze manier eerst onderzocht hebben.
[-]