|
|
Vroege drieklezoren
Edwin Orsel
Stadsbouwhistoricus
gemeente Leiden
Bij bouwhistorisch onderzoek door
de gemeentelijke bouwhistorici in Leiden is recentelijk een
opmerkelijke vondst gedaan: de toepassing van drieklezoren in
metselwerk uit de vijftiende eeuw. In een recente publicatie over de
ontwikkeling van metselwerk in Leiden werd al gewezen op het
voorkomen van zestiende-eeuwse drieklezoren in Leiden.[1]
Dit was al veel vroeger dan de algemene aanname dat de drieklezoor
aan het eind van de zeventiende eeuw wordt geďntroduceerd in
Nederland. Maar door deze vondst moet geconcludeerd worden dat
drieklezoren veel ouder zijn dan gedacht, zeker in Leiden en dat het
laatste woord nog niet is geschreven over metselwerk.
In de dagelijkse praktijk van het
bouwhistorische onderzoek in Leiden, uitgevoerd door de
bouwhistorici van de unit Monumenten en Archeologie, speelt de
bestudering van historisch metselwerk een grote rol. Bij het
onderzoek worden consequent baksteenmaten, metselverbanden en andere
bijzonderheden van het muurwerk genoteerd. Uit de verzamelde
gegevens is een algemeen overzicht van bakstenen en metselwerk
samengesteld, waarbij ook is gekeken naar de hoekoplossingen.[2]
In het algemeen kan namelijk, met alle voorzichtigheid, op basis van
het metselwerk muurwerk worden gedateerd, waarbij de hoekoplossing
ook een rol speelt. De afwisseling rond 1700 van de toepassing in de
hoekoplossing van een kwart baksteen (klezoor) door een driekwart
baksteen (drieklezoor) wordt in Nederland door bouwhistorici daarbij
als vuistregel gehanteerd.[3]
Uit het voorbeeld van Vijfde
Binnenvestgracht 7 in Leiden uit 1588 is gebleken dat al in het eind
van de zestiende eeuw drieklezoren in het Leidse metselwerk worden
toegepast.[4]
In de gehele zeventiende eeuw is de drieklezoor in Leiden al zeer
algemeen. De verklaring voor de toepassing van de drieklezoor ligt
in Leiden zeer waarschijnlijk in de smalle penanten van de ‘moderne’
laat zestiende- en zeventiende-eeuwse gevels. De penanten hebben
onvoldoende breedte voor een minimale reeks van
kop-klezoor-kop-klezoor-kop. Een reeks van twee drieklezoren kan
echter wel.[5]
Een andere verklaring is dat er voldoende materiaal beschikbaar was
en dat er dus niet bespaard hoefde te worden.[6]
Het vroege voorbeeld in Leiden
blijkt echter niet op zich te staan. Recentelijk is bij aanvullend
bouwhistorisch onderzoek naar de Schoterburcht in Haarlem
geconstateerd dat daar in 1562 al drieklezoren zijn toegepast.[7]
De drieklezoren zijn aanwezig bij de gevelhoeken en de
vensteropeningen van de oostgevel van de in 1562 gedateerde
straatvleugel.[8]
Bij documentair bouwhistorisch
onderzoek naar Hooglandse Kerkgracht 21 in Leiden werden in de zij-
en achtergevel ook consequent toegepaste drieklezoren aangetroffen.
De zijgevel is uitgevoerd in staand verband met een kop -
drieklezoor beëindiging in de koppenlaag.[9]
Het metselverband van de achtergevel bestaat uit koppen en
strekkenlagen.[10]
Bij de achtergevel is voor de hoekoplossing een klezoor toegepast en
bij de vensters drieklezoren. Hooglandse kerkgracht 21 is bouwkundig
gezien een tweebeukig dwarshuis. In de zij- en achtergevel van de
achterste beuk bevinden zich de genoemde drieklezoren. Uit het
dendrochronologisch onderzoek van de kapconstructie van de achterste
beuk is naar voren gekomen dat deze achterste beuk rond 1470 zal
zijn toegevoegd.[11]
De drieklezoren zullen dus ook rond 1470 zijn vermetseld en zijn
daarmee de oudste (totnogtoe) bekende drieklezoren van Nederland!
Deze drieklezoren uit de vijftiende
eeuw maken duidelijk dat er qua metselwerk in Nederland nog nieuwe
ontdekkingen te verwachten zijn. Onderzoek naar de ontwikkeling van
metselwerk, zowel op lokaal als nationaal niveau, is en blijft een
belangrijk onderdeel van bouwhistorisch onderzoek.

Hooglandsekerkgracht 21 Leiden,
zijgevel met drieklezoren in de koppenlagen van het staand verband.
[Foto E. Orsel, 2008]
Noten:
[1] E.D.
Orsel, Rijswijkers in Leiden, Bodemonderzoek in Leiden 20,
Leiden 2007, pp. 18 en 19.
[2] E.D.
Orsel, Rijswijkers in Leiden, Bodemonderzoek in Leiden 20,
Leiden 2007.
[3] R.
Stenvert en G. van Tussenbroek, Inleiding in de
Bouwhistorie, Utrecht 2007, pp. 138 en 139.
[4] E.D.
Orsel, Rijswijkers in Leiden, Bodemonderzoek in Leiden 20,
Leiden 2007, p. 18.
[5] E.D.
Orsel, Rijswijkers in Leiden, Bodemonderzoek in Leiden 20,
Leiden 2007, pp. 18 en 19.
[6] R.
Stenvert en G. van Tussenbroek, Inleiding in de
Bouwhistorie, Utrecht 2007, pp. 138 en 139.
[7] Bron
Maarten Enderman, die het aanvullende onderzoek daar heeft
verricht.
[8] Deze
vleugel is door een gevelsteen én dendrochronologisch
onderzoek gedateerd. E. Orsel, Schoterburcht,
Schotersingel 2-4 te Haarlem, bouwhistorische verkenning,
Kamphuis, bureau voor bouwhistorie, Delft 1999.
[9] De
zijgevel is gemetseld in bruinrode steen in staand verband,
baksteenformaat 19,5/20 x 9,5 x 4,5 cm met een tienlagenmaat
van 56 cm.
[10] De
achtergevel is in opzet gemetseld met een baksteen van
19/19,5 x 9,5 x 5 cm met een 10 lagenmaat van 53 cm. Dit
komt dus overeen met de (beide) zijgevel(s).
[11] De
eikenhouten jukken van de kapconstructie maken deel uit van
de oorspronkelijke opzet van de achterste beuk en zijn
dendrochronologisch gedateerd tussen 1466 en 1472.
Monstername D.J. de Vries en datering Ring, rapport RING,
februari 1999.
|
Andere stukken:
>> Column over golfplaat
>> Nogmaals nokruiterbokjes
>> Column over
gevelverbetering
>> Het verdrag van
Malta en Bouwhistorie
>> Beschilderde balk in de Leidse
Pieterskerk
>> Studiedag Bouwblokinventa-risatie in de
Lage Landen
(24 november 2006)
>> Themadag Federatie Grote
Monumentenge-meenten
(17 november 2006)
|